Net als in de meeste andere landen is het Nederlandse recht opgedeeld in drie rechtsgebieden:

Civiel recht

Civiel recht, ook wel burgerlijk recht of privaatrecht genoemd, bestaat uit een materieel en een formeel gedeelte. Het materiële gedeelte stelt regels ten aanzien van de verhoudingen tussen burgers en/of ondernemingen onderling. Het materieel civiele recht is zeer omvangrijk en omvat familie- en erfrecht, rechtspersonenrecht, arbeidsrecht en huurrecht en onrechtmatige daad en aansprakelijkheid, bancair recht, hypotheekrecht, auteursrechten, transportrecht, faillissementsrecht, eigendomsrecht, consumentenrecht en letselschaderecht om er een paar te noemen. Het formele privaatrecht, ook wel het burgerlijk procesrecht genoemd, geeft regels over de handhaving van de materiële regels en de regels voor civielrechtelijke procedures.

Kenmerkend voor het burgerlijk recht is dat betrokkenen zélf het recht moeten activeren. Er is, anders dan bij het strafrecht, geen centrale instantie die een zaak voor de rechter brengt. Indien iemand van mening is dat zijn of haar recht is geschonden, dient diegene, als een en ander niet in der minne kan worden opgelost, de zaak onder de aandacht van de rechter te brengen.

Bestuursrecht

Het bestuursrecht, ook wel administratief recht genoemd, is in vergelijking met andere rechtsgebieden relatief nieuw. De opkomst van het bestuursrecht is een gevolg van de grote uitbreiding en intensivering die de overheidsbemoeienis met de maatschappij sinds het einde van de 19e eeuw heeft ondergaan. Het doel ervan is tweeledig: enerzijds biedt dit recht aan legitimiteit bestuursorganen en ambtenaren, anderzijds vervult het de functie de in principe aan de overheid onderworpen burgers en ondernemingen een bepaalde mate van bescherming tegen overheidshandelen te bieden.  Het bestuursrecht regelt de verhouding tussen de overheid en burger en/of ondernemingen en overheden onderling, alsmede de manier waarop het openbaar bestuur kan ingrijpen in de openbare rechtsorde. Ook het bestuursrecht bestaat uit een materieel en formeel deel. Het materiële deel van het bestuursrecht bestaat uit ondermeer ambtenarenrecht, belastingrecht, sociaal zekerheidsrecht, vreemdelingenrecht, omgevings en milieurecht, bouwrecht en talloze (semi) overheidstaken en gesubsidieerde taken als kinderopvang, thuiszorg.

Het formele deel heeft betrekking op de wijze van uitoefening van bevoegdheden, en de gang van zaken en positie van overheid en belanghebbenden (burgers en/of ondernemingen) in bezwaar en beroepsprocedures.  De algemene regels van het bestuursrecht zijn terug te vinden in de Algemene wet bestuursrecht, afgekort Awb. Naast de algemene wet bestuursrecht zijn er talloze specifieke wetten met bestuursrechtelijke voorschriften. Hoe het bestuursorgaan zijn betreffende bevoegdheden mag gebruiken, blijkt in beginsel uit de regelgeving die op de bestuursbevoegdheid van toepassing is. De speelruimte die het bestuursorgaan bij zijn bevoegdheid uitoefenen heeft, onderscheidt men in beoordelingsruimte en beleidsvrijheid. Omdat het bestuursrecht veel minder oud is dan het privaatrecht en het strafrecht zijn echter vooral veel zaken ook niet of onvoldoende nauwkeurig geregeld waardoor burgers en ondernemingen lang niet altijd op voorhand (kunnen) weten welke rechten en plichten zij hebben. Bovendien overlapt of doorkruist het bestuursrecht de beide oudere rechtsgebieden nogal eens door bestuurlijke voorschriften via privaatrechtelijke weg te handhaven of via strafrechtelijke weg te straffen. Door alleen al het feit dat bij privaatrechtelijke handhaving de beginselen van het bestuursrecht gelden, maar bij bestuursrechtelijke bestraffende boetes juist weer de strafrechtelijke bescherming van toepassing is, is het bestuursrecht misschien het meest onoverzichtelijk van de drie rechtsgebieden.

Strafrecht

Van alle rechtsgebieden is het strafrecht wellicht het strengst gereguleerd en niet zonder reden. Want de inbreuken die door de overheid op de rechten van burgers en ondernemingen in het kader van het strafrecht kunnen worden gemaakt gaan in de regel veel verder dan die in het privaat of bestuursrecht, terwijl ook bestraffende sancties meestal zwaarder zijn. In het materiële strafrecht zijn dan ook de maximumstraffen vastgelegd die burgers en ondernemingen kunnen krijgen opgelegd als zij zich niet aan de regels houden en dus een strafbaar feit plegen. Er zijn twee soorten strafbare feiten: overtredingen en misdrijven. Overtredingen zijn relatief lichte vergrijpen, misdrijven zijn ernstigere feiten. Alle strafbare feiten staan in wetten, bijvoorbeeld in het Wetboek van Strafrecht en bijzondere strafwetten als de Opiumwet en de Wegenverkeerswet. Echter ook in bestuursrechtelijke en sommige privaatrechtelijke wetten zijn strafrechtbare feiten opgenomen.

Het formele deel, strafprocesrecht genoemd, ziet toe op de bescherming van de centrale figuur in het strafrecht, de verdachte. Andere hoofdpersonen zijn; het slachtoffer, de politie en/of bijzondere opsporingsambtenaren (douane, FIOD, Arbeidsinspectie, Koninklijke Marechaussee, etc), de Officier van Justitie, de Rechter-commissaris, de getuige, de deskundige en de zittingsrechter. Het formele procesrecht vangt aan met de verenking waarvan sprake is als politie of de officier van justitie een redelijk vermoeden heeft dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd. Anders dan veel mensen (willen doen) geloven is een verdachte nog geen dader. Onder ‘dader’ wordt verstaan degene ten anzien waarvan wettig en overtuigend is bewezenb dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd, en het strafproces dient er juist toe vast te stellen of de verdachte dat heeft gedaan.

Wie wordt verdacht van een strafbaar feit, doet er ten alle tijden verstandig aan een strafpleiter in te schakelen. Deze advocaat – in dit verband raadsman (raadsvrouw) genoemd – verdedigt de rechten van de verdachten tegenover politie en justitie en verdedigt de verdachte op de zitting. Iedereen heeft het recht zich te laten bijstaan door een advocaat. Wie zelf geen advocaat kan betalen of geen voorkeur heeft uitgesproken voor een advocaat heeft, krijgt in geval van aanhouding of voorafgaand aan een verhoor een advocaat toegewezen door de Raad voor de Rechtsbijstand. Deze wordt vergoed door de overheid, zodat er geen kosten zijn voor de verdachte. Minderjarigen krijgen altijd een toegevoegd advocaat – dit kan overigens ook een voorkeursadvocaat zijn – voor de gehele procedure.

Lang niet alle strafzaken worden aan de rechter voorgelegd: in het strafrecht bestaan ook andere procedures. De politie, net als de Officier van Justitie kan sommige zaken bijvoorbeeld zelf afhandelen. Dat kan op twee manieren, het (politie)sepot, waarbij de (verdere) vervolging niet wordt ingezet of gestaakt en de (politie)transactie. De politie kan simpel gezegd uitsluitend overtredingen en bepaalde lichte misdrijven zelf afdoen, de Officier van Justitie kan álle strafbare feiten zelf afdoen. De Officier van Justitie heeft ter verlichting van de rechterlijke macht ruime bevoegdheden gekregen om zaken zelf af te doen via de Wet OM-afdoening. Er zijn plannen om ook politie en bijzondere ambtenaren verdergaande bevoegdheden te geven in het kader van die wet. Voor minderjarigen is er tenslotte de extra mogelijkheid van Bureau Halt, dat is bedoeld om 12 tot 16 jarigen buiten het strafrecht te houden en toch duidelijk kenbaar te maken dat (bepaald) wangedrag niet door de beugel kan.