Eens een dief, altijd een dief? Niet als het aan ons ligt!

De in het Wetboek van Strafvordering geregelde ontnemingsmaatregel beoogt – vooral georganiseerde – criminaliteit effectiever te bestrijden, door het ontnemen van het uit deze criminaliteit voortvloeiende wederrechtelijk verkregen voordeel, inclusief alle daarmee verkregen zaken, zoals huizen en auto’s, en het eventueel weer uit deze zaken verkregen voordeel, zoals huur, dividend of rente.

Na een veroordeling kan de rechter daarom een veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de Staat, wanneer is komen vast te staan deze onterecht voordeel heeft genoten van zijn of haar ‘criminele activiteiten’. Denk hierbij aan de opbrengst van een wietplantage, de daarmee samenhangende banktegoeden en de auto of het huis dat hiermee wordt gekocht. In (relatief) eenvoudige zaken zal deze betalingsverplichting in het kader van de ontneming gelijktijdig met de strafrechtelijke procedure in de hoofdzaak worden afgedaan. In de gecompliceerde zaken zal er, al dan niet na afronding van een zogeheten Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO), een afzonderlijke ontnemingsprocedure worden opgestart.

Het aantal zaken waarin het Openbaar Ministerie de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vordert neemt hand over hand toe. Ook wordt steeds vaker al tijdens de opsporing conservatoir beslag gelegd op vermogensbestanddelen zoals huizen, banktegoeden, auto’s en andere waardevolle goederen. Volgens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strijdig met de onschuldpresumptie als bedoeld in het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wanneer niet boven elke redelijke twijfel verheven kan worden vastgesteld dat de persoon in kwestie het (tenlastegelegde) strafbare feit op grond waarvan de ontneming wordt gevorderd ook daadwerkelijk heeft gepleegd, en evenmin kan worden vastgesteld dat de herkomst van het vermogen niet kan worden verklaard. Overigens zijn deze eisen niet cumulatief, maar alternatief, met andere woorden ook als men wel wordt veroordeeld wegens het tenlastegelegde feit, doch genoegzaam kan worden aangetoond dat een vermogensbestanddeel niet door criminele activiteiten is verkregen kan dit niet worden ontnomen. In maart 2007 oordeelde het Europese Hof dat de op artikel 36e van het Wetboek van Strafvordering gebaseerde ontnemingsmaatregel onverenigbaar is met artikel 6 lid 2 EVRM.

Juist omdat in het kader van de wederrechtelijke ontneming vrij gemakkelijk wordt aangenomen dat – delen van – het vermogen van verdachten door criminele activiteiten is verkregen, is het altijd raadzaam om wanneer door politie of justitie (conservatoir) beslag wordt gelegd ter ontneming van vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel contact op te nemen met een advocaat.